Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zwem
jij/je zwemt
hij/zij/het/u zwemt
wij/we zwemmen
jullie zwemmen
zij/ze zwemmen
onvoltooid verleden tijdpast
ik zwom
jij/je zwom
hij/zij/het/u zwom
wij/we zwommen
jullie zwommen
zij/ze zwommen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben/heb gezwommen
jij/je bent/hebt gezwommen
hij/zij/het/u is/heeft gezwommen
wij/we zijn/hebben gezwommen
jullie zijn/hebben gezwommen
zij/ze zijn/hebben gezwommen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was/had gezwommen
jij/je was/had gezwommen
hij/zij/het/u was/had gezwommen
wij/we waren/hadden gezwommen
jullie waren/hadden gezwommen
zij/ze waren/hadden gezwommen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal zwemmen
jij/je zult zwemmen
hij/zij/het/u zal zwemmen
wij/we zullen zwemmen
jullie zullen zwemmen
zij/ze zullen zwemmen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn/hebben gezwommen
jij/je zult zijn/hebben gezwommen
hij/zij/het/u zal zijn/hebben gezwommen
wij/we zullen zijn/hebben gezwommen
jullie zullen zijn/hebben gezwommen
zij/ze zullen zijn/hebben gezwommen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou zwemmen
jij/je zou zwemmen
hij/zij/het/u zou zwemmen
wij/we zouden zwemmen
jullie zouden zwemmen
zij/ze zouden zwemmen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn/hebben gezwommen
jij/je zou zijn/hebben gezwommen
hij/zij/het/u zou zijn/hebben gezwommen
wij/we zouden zijn/hebben gezwommen
jullie zouden zijn/hebben gezwommen
zij/ze zouden zijn/hebben gezwommen
gebiedende wijs: zwem
tegenwoordig deelwoord: zwemmend
voltooid deelwoord: gezwommen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik zwem elke vrijdag in het zwembad.
I swim in the pool every Friday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben vanochtend in de zee gezwommen.
We swam in the sea this morning.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Jullie zullen morgen in het meer zwemmen.
You will swim in the lake tomorrow.