Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zwel
jij/je zwelt
hij/zij/het/u zwelt
wij/we zwellen
jullie zwellen
zij/ze zwellen
onvoltooid verleden tijdpast
ik zwol
jij/je zwol
hij/zij/het/u zwol
wij/we zwollen
jullie zwollen
zij/ze zwollen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben gezwollen
jij/je bent gezwollen
hij/zij/het/u is gezwollen
wij/we zijn gezwollen
jullie zijn gezwollen
zij/ze zijn gezwollen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was gezwollen
jij/je was gezwollen
hij/zij/het/u was gezwollen
wij/we waren gezwollen
jullie waren gezwollen
zij/ze waren gezwollen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal zwellen
jij/je zult zwellen
hij/zij/het/u zal zwellen
wij/we zullen zwellen
jullie zullen zwellen
zij/ze zullen zwellen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn gezwollen
jij/je zult zijn gezwollen
hij/zij/het/u zal zijn gezwollen
wij/we zullen zijn gezwollen
jullie zullen zijn gezwollen
zij/ze zullen zijn gezwollen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou zwellen
jij/je zou zwellen
hij/zij/het/u zou zwellen
wij/we zouden zwellen
jullie zouden zwellen
zij/ze zouden zwellen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn gezwollen
jij/je zou zijn gezwollen
hij/zij/het/u zou zijn gezwollen
wij/we zouden zijn gezwollen
jullie zouden zijn gezwollen
zij/ze zouden zijn gezwollen
gebiedende wijs: zwel
tegenwoordig deelwoord: zwellend
voltooid deelwoord: gezwollen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn enkel zwelt altijd na het hardlopen.
My ankle always swells after running.
Onvoltooid verleden tijdPast
De rivier zwol na de hevige regen.
The river swelled after the heavy rain.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zijn hand is flink gezwollen door de wespensteek.
His hand is quite swollen from the wasp sting.