Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zorg
jij/je zorgt
hij/zij/het/u zorgt
wij/we zorgen
jullie zorgen
zij/ze zorgen
onvoltooid verleden tijdpast
ik zorgde
jij/je zorgde
hij/zij/het/u zorgde
wij/we zorgden
jullie zorgden
zij/ze zorgden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gezorgd
jij/je hebt gezorgd
hij/zij/het/u heeft gezorgd
wij/we hebben gezorgd
jullie hebben gezorgd
zij/ze hebben gezorgd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gezorgd
jij/je had gezorgd
hij/zij/het/u had gezorgd
wij/we hadden gezorgd
jullie hadden gezorgd
zij/ze hadden gezorgd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal zorgen
jij/je zult zorgen
hij/zij/het/u zal zorgen
wij/we zullen zorgen
jullie zullen zorgen
zij/ze zullen zorgen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gezorgd
jij/je zult hebben gezorgd
hij/zij/het/u zal hebben gezorgd
wij/we zullen hebben gezorgd
jullie zullen hebben gezorgd
zij/ze zullen hebben gezorgd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou zorgen
jij/je zou zorgen
hij/zij/het/u zou zorgen
wij/we zouden zorgen
jullie zouden zorgen
zij/ze zouden zorgen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gezorgd
jij/je zou hebben gezorgd
hij/zij/het/u zou hebben gezorgd
wij/we zouden hebben gezorgd
jullie zouden hebben gezorgd
zij/ze zouden hebben gezorgd
gebiedende wijs: zorg
tegenwoordig deelwoord: zorgend
voltooid deelwoord: gezorgd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik zorg elke dag voor mijn oma.
I take care of my grandma every day.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij zorgde jarenlang voor haar zieke moeder.
She cared for her sick mother for years.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Wij zullen goed voor je planten zorgen.
We will take good care of your plants.