Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zink
jij/je zinkt
hij/zij/het/u zinkt
wij/we zinken
jullie zinken
zij/ze zinken
onvoltooid verleden tijdpast
ik zonk
jij/je zonk
hij/zij/het/u zonk
wij/we zonken
jullie zonken
zij/ze zonken
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben gezonken
jij/je bent gezonken
hij/zij/het/u is gezonken
wij/we zijn gezonken
jullie zijn gezonken
zij/ze zijn gezonken
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was gezonken
jij/je was gezonken
hij/zij/het/u was gezonken
wij/we waren gezonken
jullie waren gezonken
zij/ze waren gezonken
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal zinken
jij/je zult zinken
hij/zij/het/u zal zinken
wij/we zullen zinken
jullie zullen zinken
zij/ze zullen zinken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn gezonken
jij/je zult zijn gezonken
hij/zij/het/u zal zijn gezonken
wij/we zullen zijn gezonken
jullie zullen zijn gezonken
zij/ze zullen zijn gezonken
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou zinken
jij/je zou zinken
hij/zij/het/u zou zinken
wij/we zouden zinken
jullie zouden zinken
zij/ze zouden zinken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn gezonken
jij/je zou zijn gezonken
hij/zij/het/u zou zijn gezonken
wij/we zouden zijn gezonken
jullie zouden zijn gezonken
zij/ze zouden zijn gezonken
gebiedende wijs: zink
tegenwoordig deelwoord: zinkend
voltooid deelwoord: gezonken
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Het bootje zinkt langzaam in het meer.
The little boat is slowly sinking in the lake.
Onvoltooid verleden tijdPast
Het schip zonk honderd jaar geleden.
The ship sank a hundred years ago.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De oude boot is tijdens de storm gezonken.
The old boat sank during the storm.