Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zing
jij/je zingt
hij/zij/het/u zingt
wij/we zingen
jullie zingen
zij/ze zingen
onvoltooid verleden tijdpast
ik zong
jij/je zong
hij/zij/het/u zong
wij/we zongen
jullie zongen
zij/ze zongen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gezongen
jij/je hebt gezongen
hij/zij/het/u heeft gezongen
wij/we hebben gezongen
jullie hebben gezongen
zij/ze hebben gezongen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gezongen
jij/je had gezongen
hij/zij/het/u had gezongen
wij/we hadden gezongen
jullie hadden gezongen
zij/ze hadden gezongen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal zingen
jij/je zult zingen
hij/zij/het/u zal zingen
wij/we zullen zingen
jullie zullen zingen
zij/ze zullen zingen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gezongen
jij/je zult hebben gezongen
hij/zij/het/u zal hebben gezongen
wij/we zullen hebben gezongen
jullie zullen hebben gezongen
zij/ze zullen hebben gezongen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou zingen
jij/je zou zingen
hij/zij/het/u zou zingen
wij/we zouden zingen
jullie zouden zingen
zij/ze zouden zingen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gezongen
jij/je zou hebben gezongen
hij/zij/het/u zou hebben gezongen
wij/we zouden hebben gezongen
jullie zouden hebben gezongen
zij/ze zouden hebben gezongen
gebiedende wijs: zing
tegenwoordig deelwoord: zingend
voltooid deelwoord: gezongen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Zij zingt elke zondag in het koor.
She sings in the choir every Sunday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben samen liedjes gezongen op het feest.
We sang songs together at the party.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Ik zal een lied zingen op de bruiloft.
I will sing a song at the wedding.