Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zie
jij/je ziet
hij/zij/het/u ziet
wij/we zien
jullie zien
zij/ze zien
onvoltooid verleden tijdpast
ik zag
jij/je zag
hij/zij/het/u zag
wij/we zagen
jullie zagen
zij/ze zagen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gezien
jij/je hebt gezien
hij/zij/het/u heeft gezien
wij/we hebben gezien
jullie hebben gezien
zij/ze hebben gezien
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gezien
jij/je had gezien
hij/zij/het/u had gezien
wij/we hadden gezien
jullie hadden gezien
zij/ze hadden gezien
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal zien
jij/je zult zien
hij/zij/het/u zal zien
wij/we zullen zien
jullie zullen zien
zij/ze zullen zien
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gezien
jij/je zult hebben gezien
hij/zij/het/u zal hebben gezien
wij/we zullen hebben gezien
jullie zullen hebben gezien
zij/ze zullen hebben gezien
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou zien
jij/je zou zien
hij/zij/het/u zou zien
wij/we zouden zien
jullie zouden zien
zij/ze zouden zien
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gezien
jij/je zou hebben gezien
hij/zij/het/u zou hebben gezien
wij/we zouden hebben gezien
jullie zouden hebben gezien
zij/ze zouden hebben gezien
gebiedende wijs: zie
tegenwoordig deelwoord: ziend
voltooid deelwoord: gezien
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik zie de bergen vanuit mijn raam.
I see the mountains from my window.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij zagen gisteren een hert in het bos.
We saw a deer in the forest yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij heeft de nieuwe film al gezien.
He has already seen the new film.
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditional
Vanaf die heuvel zou je de hele stad zien.
From that hill you would see the whole city.