Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zeur
jij/je zeurt
hij/zij/het/u zeurt
wij/we zeuren
jullie zeuren
zij/ze zeuren
onvoltooid verleden tijdpast
ik zeurde
jij/je zeurde
hij/zij/het/u zeurde
wij/we zeurden
jullie zeurden
zij/ze zeurden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gezeurd
jij/je hebt gezeurd
hij/zij/het/u heeft gezeurd
wij/we hebben gezeurd
jullie hebben gezeurd
zij/ze hebben gezeurd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gezeurd
jij/je had gezeurd
hij/zij/het/u had gezeurd
wij/we hadden gezeurd
jullie hadden gezeurd
zij/ze hadden gezeurd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal zeuren
jij/je zult zeuren
hij/zij/het/u zal zeuren
wij/we zullen zeuren
jullie zullen zeuren
zij/ze zullen zeuren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gezeurd
jij/je zult hebben gezeurd
hij/zij/het/u zal hebben gezeurd
wij/we zullen hebben gezeurd
jullie zullen hebben gezeurd
zij/ze zullen hebben gezeurd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou zeuren
jij/je zou zeuren
hij/zij/het/u zou zeuren
wij/we zouden zeuren
jullie zouden zeuren
zij/ze zouden zeuren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gezeurd
jij/je zou hebben gezeurd
hij/zij/het/u zou hebben gezeurd
wij/we zouden hebben gezeurd
jullie zouden hebben gezeurd
zij/ze zouden hebben gezeurd
gebiedende wijs: zeur
tegenwoordig deelwoord: zeurend
voltooid deelwoord: gezeurd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De kinderen zeuren om een ijsje.
The children are nagging for an ice cream.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij zeurde gisteren de hele avond over het weer.
He complained about the weather all evening yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Jullie hebben de hele reis over het eten gezeurd.
You complained about the food the whole trip.