Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zeul
jij/je zeult
hij/zij/het/u zeult
wij/we zeulen
jullie zeulen
zij/ze zeulen
onvoltooid verleden tijdpast
ik zeulde
jij/je zeulde
hij/zij/het/u zeulde
wij/we zeulden
jullie zeulden
zij/ze zeulden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gezeuld
jij/je hebt gezeuld
hij/zij/het/u heeft gezeuld
wij/we hebben gezeuld
jullie hebben gezeuld
zij/ze hebben gezeuld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gezeuld
jij/je had gezeuld
hij/zij/het/u had gezeuld
wij/we hadden gezeuld
jullie hadden gezeuld
zij/ze hadden gezeuld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal zeulen
jij/je zult zeulen
hij/zij/het/u zal zeulen
wij/we zullen zeulen
jullie zullen zeulen
zij/ze zullen zeulen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gezeuld
jij/je zult hebben gezeuld
hij/zij/het/u zal hebben gezeuld
wij/we zullen hebben gezeuld
jullie zullen hebben gezeuld
zij/ze zullen hebben gezeuld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou zeulen
jij/je zou zeulen
hij/zij/het/u zou zeulen
wij/we zouden zeulen
jullie zouden zeulen
zij/ze zouden zeulen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gezeuld
jij/je zou hebben gezeuld
hij/zij/het/u zou hebben gezeuld
wij/we zouden hebben gezeuld
jullie zouden hebben gezeuld
zij/ze zouden hebben gezeuld
gebiedende wijs: zeul
tegenwoordig deelwoord: zeulend
voltooid deelwoord: gezeuld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Hij zeult elke dag een zware rugzak naar school.
He lugs a heavy backpack to school every day.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij zeulden de koffers naar het station.
We hauled the suitcases to the station.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb de hele middag met boodschappen gezeuld.
I lugged groceries around all afternoon.