Dutch Conjugations - ZEULEN Hidden OG Image
  polytripper

  


zeulen
   
- to lug/haul

weak (zwak) regular aux: hebben


Display tenses in:

Display tenses in:


onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
onvoltooid verleden tijdpast
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect

ik
zeul
zeulde
heb gezeuld
jij/je
zeult
zeulde
hebt gezeuld
hij/zij/het/u
zeult
zeulde
heeft gezeuld
wij/we
zeulen
zeulden
hebben gezeuld
jullie
zeulen
zeulden
hebben gezeuld
zij/ze
zeulen
zeulden
hebben gezeuld

voltooid verleden tijdpast perfect
onvoltooid toekomende tijdfuture
voltooid toekomende tijdfuture perfect

ik
had gezeuld
zal zeulen
zal hebben gezeuld
jij/je
had gezeuld
zult zeulen
zult hebben gezeuld
hij/zij/het/u
had gezeuld
zal zeulen
zal hebben gezeuld
wij/we
hadden gezeuld
zullen zeulen
zullen hebben gezeuld
jullie
hadden gezeuld
zullen zeulen
zullen hebben gezeuld
zij/ze
hadden gezeuld
zullen zeulen
zullen hebben gezeuld

onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect

ik
zou zeulen
zou hebben gezeuld
jij/je
zou zeulen
zou hebben gezeuld
hij/zij/het/u
zou zeulen
zou hebben gezeuld
wij/we
zouden zeulen
zouden hebben gezeuld
jullie
zouden zeulen
zouden hebben gezeuld
zij/ze
zouden zeulen
zouden hebben gezeuld

onvoltooid tegenwoordige tijdpresent

ik zeul

jij/je zeult

hij/zij/het/u zeult

wij/we zeulen

jullie zeulen

zij/ze zeulen


onvoltooid verleden tijdpast

ik zeulde

jij/je zeulde

hij/zij/het/u zeulde

wij/we zeulden

jullie zeulden

zij/ze zeulden


voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect

ik heb gezeuld

jij/je hebt gezeuld

hij/zij/het/u heeft gezeuld

wij/we hebben gezeuld

jullie hebben gezeuld

zij/ze hebben gezeuld


voltooid verleden tijdpast perfect

ik had gezeuld

jij/je had gezeuld

hij/zij/het/u had gezeuld

wij/we hadden gezeuld

jullie hadden gezeuld

zij/ze hadden gezeuld


onvoltooid toekomende tijdfuture

ik zal zeulen

jij/je zult zeulen

hij/zij/het/u zal zeulen

wij/we zullen zeulen

jullie zullen zeulen

zij/ze zullen zeulen


voltooid toekomende tijdfuture perfect

ik zal hebben gezeuld

jij/je zult hebben gezeuld

hij/zij/het/u zal hebben gezeuld

wij/we zullen hebben gezeuld

jullie zullen hebben gezeuld

zij/ze zullen hebben gezeuld


onvoltooid verleden toekomende tijdconditional

ik zou zeulen

jij/je zou zeulen

hij/zij/het/u zou zeulen

wij/we zouden zeulen

jullie zouden zeulen

zij/ze zouden zeulen


voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect

ik zou hebben gezeuld

jij/je zou hebben gezeuld

hij/zij/het/u zou hebben gezeuld

wij/we zouden hebben gezeuld

jullie zouden hebben gezeuld

zij/ze zouden hebben gezeuld



gebiedende wijs: zeul

tegenwoordig deelwoord: zeulend

voltooid deelwoord: gezeuld


Example Sentences


Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent

Hij zeult elke dag een zware rugzak naar school.

He lugs a heavy backpack to school every day.


Onvoltooid verleden tijdPast

Wij zeulden de koffers naar het station.

We hauled the suitcases to the station.


Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect

Ik heb de hele middag met boodschappen gezeuld.

I lugged groceries around all afternoon.