Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zet
jij/je zet
hij/zij/het/u zet
wij/we zetten
jullie zetten
zij/ze zetten
onvoltooid verleden tijdpast
ik zette
jij/je zette
hij/zij/het/u zette
wij/we zetten
jullie zetten
zij/ze zetten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gezet
jij/je hebt gezet
hij/zij/het/u heeft gezet
wij/we hebben gezet
jullie hebben gezet
zij/ze hebben gezet
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gezet
jij/je had gezet
hij/zij/het/u had gezet
wij/we hadden gezet
jullie hadden gezet
zij/ze hadden gezet
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal zetten
jij/je zult zetten
hij/zij/het/u zal zetten
wij/we zullen zetten
jullie zullen zetten
zij/ze zullen zetten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gezet
jij/je zult hebben gezet
hij/zij/het/u zal hebben gezet
wij/we zullen hebben gezet
jullie zullen hebben gezet
zij/ze zullen hebben gezet
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou zetten
jij/je zou zetten
hij/zij/het/u zou zetten
wij/we zouden zetten
jullie zouden zetten
zij/ze zouden zetten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gezet
jij/je zou hebben gezet
hij/zij/het/u zou hebben gezet
wij/we zouden hebben gezet
jullie zouden hebben gezet
zij/ze zouden hebben gezet
gebiedende wijs: zet
tegenwoordig deelwoord: zettend
voltooid deelwoord: gezet
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik zet de bloemen op de tafel.
I put the flowers on the table.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij zette de kopjes in de kast.
She put the cups in the cupboard.
Gebiedende wijsImperative
Zet de tas maar op de stoel.
Just put the bag on the chair.
Voltooid verleden tijdPast perfect
Ik had de koffie al gezet toen je belde.
I had already made the coffee when you called.