Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zeil
jij/je zeilt
hij/zij/het/u zeilt
wij/we zeilen
jullie zeilen
zij/ze zeilen
onvoltooid verleden tijdpast
ik zeilde
jij/je zeilde
hij/zij/het/u zeilde
wij/we zeilden
jullie zeilden
zij/ze zeilden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben/heb gezeild
jij/je bent/hebt gezeild
hij/zij/het/u is/heeft gezeild
wij/we zijn/hebben gezeild
jullie zijn/hebben gezeild
zij/ze zijn/hebben gezeild
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was/had gezeild
jij/je was/had gezeild
hij/zij/het/u was/had gezeild
wij/we waren/hadden gezeild
jullie waren/hadden gezeild
zij/ze waren/hadden gezeild
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal zeilen
jij/je zult zeilen
hij/zij/het/u zal zeilen
wij/we zullen zeilen
jullie zullen zeilen
zij/ze zullen zeilen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn/hebben gezeild
jij/je zult zijn/hebben gezeild
hij/zij/het/u zal zijn/hebben gezeild
wij/we zullen zijn/hebben gezeild
jullie zullen zijn/hebben gezeild
zij/ze zullen zijn/hebben gezeild
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou zeilen
jij/je zou zeilen
hij/zij/het/u zou zeilen
wij/we zouden zeilen
jullie zouden zeilen
zij/ze zouden zeilen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn/hebben gezeild
jij/je zou zijn/hebben gezeild
hij/zij/het/u zou zijn/hebben gezeild
wij/we zouden zijn/hebben gezeild
jullie zouden zijn/hebben gezeild
zij/ze zouden zijn/hebben gezeild
gebiedende wijs: zeil
tegenwoordig deelwoord: zeilend
voltooid deelwoord: gezeild
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij zeilen elke zomer op het IJsselmeer.
We sail on the IJsselmeer every summer.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij zijn gisteren naar Texel gezeild.
We sailed to Texel yesterday.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Hij zal zaterdag met zijn vader zeilen.
He will sail with his father on Saturday.