Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zegen
jij/je zegent
hij/zij/het/u zegent
wij/we zegenen
jullie zegenen
zij/ze zegenen
onvoltooid verleden tijdpast
ik zegende
jij/je zegende
hij/zij/het/u zegende
wij/we zegenden
jullie zegenden
zij/ze zegenden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gezegend
jij/je hebt gezegend
hij/zij/het/u heeft gezegend
wij/we hebben gezegend
jullie hebben gezegend
zij/ze hebben gezegend
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gezegend
jij/je had gezegend
hij/zij/het/u had gezegend
wij/we hadden gezegend
jullie hadden gezegend
zij/ze hadden gezegend
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal zegenen
jij/je zult zegenen
hij/zij/het/u zal zegenen
wij/we zullen zegenen
jullie zullen zegenen
zij/ze zullen zegenen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gezegend
jij/je zult hebben gezegend
hij/zij/het/u zal hebben gezegend
wij/we zullen hebben gezegend
jullie zullen hebben gezegend
zij/ze zullen hebben gezegend
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou zegenen
jij/je zou zegenen
hij/zij/het/u zou zegenen
wij/we zouden zegenen
jullie zouden zegenen
zij/ze zouden zegenen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gezegend
jij/je zou hebben gezegend
hij/zij/het/u zou hebben gezegend
wij/we zouden hebben gezegend
jullie zouden hebben gezegend
zij/ze zouden hebben gezegend
gebiedende wijs: zegen
tegenwoordig deelwoord: zegenend
voltooid deelwoord: gezegend
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De priester zegent het brood in de kerk.
The priest blesses the bread in the church.
Onvoltooid verleden tijdPast
De paus zegende de menigte op het plein.
The pope blessed the crowd on the square.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De pastoor heeft ons huis gezegend.
The pastor has blessed our house.