Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zaag
jij/je zaagt
hij/zij/het/u zaagt
wij/we zagen
jullie zagen
zij/ze zagen
onvoltooid verleden tijdpast
ik zaagde
jij/je zaagde
hij/zij/het/u zaagde
wij/we zaagden
jullie zaagden
zij/ze zaagden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gezaagd
jij/je hebt gezaagd
hij/zij/het/u heeft gezaagd
wij/we hebben gezaagd
jullie hebben gezaagd
zij/ze hebben gezaagd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gezaagd
jij/je had gezaagd
hij/zij/het/u had gezaagd
wij/we hadden gezaagd
jullie hadden gezaagd
zij/ze hadden gezaagd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal zagen
jij/je zult zagen
hij/zij/het/u zal zagen
wij/we zullen zagen
jullie zullen zagen
zij/ze zullen zagen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gezaagd
jij/je zult hebben gezaagd
hij/zij/het/u zal hebben gezaagd
wij/we zullen hebben gezaagd
jullie zullen hebben gezaagd
zij/ze zullen hebben gezaagd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou zagen
jij/je zou zagen
hij/zij/het/u zou zagen
wij/we zouden zagen
jullie zouden zagen
zij/ze zouden zagen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gezaagd
jij/je zou hebben gezaagd
hij/zij/het/u zou hebben gezaagd
wij/we zouden hebben gezaagd
jullie zouden hebben gezaagd
zij/ze zouden hebben gezaagd
gebiedende wijs: zaag
tegenwoordig deelwoord: zagend
voltooid deelwoord: gezaagd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn vader zaagt planken voor de nieuwe kast.
My father saws planks for the new cupboard.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij zaagden het dode hout in stukken.
We sawed the dead wood into pieces.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb de tak in twee stukken gezaagd.
I sawed the branch into two pieces.