Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zaai
jij/je zaait
hij/zij/het/u zaait
wij/we zaaien
jullie zaaien
zij/ze zaaien
onvoltooid verleden tijdpast
ik zaaide
jij/je zaaide
hij/zij/het/u zaaide
wij/we zaaiden
jullie zaaiden
zij/ze zaaiden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gezaaid
jij/je hebt gezaaid
hij/zij/het/u heeft gezaaid
wij/we hebben gezaaid
jullie hebben gezaaid
zij/ze hebben gezaaid
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gezaaid
jij/je had gezaaid
hij/zij/het/u had gezaaid
wij/we hadden gezaaid
jullie hadden gezaaid
zij/ze hadden gezaaid
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal zaaien
jij/je zult zaaien
hij/zij/het/u zal zaaien
wij/we zullen zaaien
jullie zullen zaaien
zij/ze zullen zaaien
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gezaaid
jij/je zult hebben gezaaid
hij/zij/het/u zal hebben gezaaid
wij/we zullen hebben gezaaid
jullie zullen hebben gezaaid
zij/ze zullen hebben gezaaid
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou zaaien
jij/je zou zaaien
hij/zij/het/u zou zaaien
wij/we zouden zaaien
jullie zouden zaaien
zij/ze zouden zaaien
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gezaaid
jij/je zou hebben gezaaid
hij/zij/het/u zou hebben gezaaid
wij/we zouden hebben gezaaid
jullie zouden hebben gezaaid
zij/ze zouden hebben gezaaid
gebiedende wijs: zaai
tegenwoordig deelwoord: zaaiend
voltooid deelwoord: gezaaid
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik zaai in maart de eerste sla.
I sow the first lettuce in March.
Onvoltooid verleden tijdPast
De boer zaaide dit jaar extra tarwe.
The farmer sowed extra wheat this year.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Wij zullen volgende week de wortels zaaien.
We will sow the carrots next week.
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditional
De boer zou in maart het graan zaaien.
The farmer would sow the grain in March.