Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik winkel
jij/je winkelt
hij/zij/het/u winkelt
wij/we winkelen
jullie winkelen
zij/ze winkelen
onvoltooid verleden tijdpast
ik winkelde
jij/je winkelde
hij/zij/het/u winkelde
wij/we winkelden
jullie winkelden
zij/ze winkelden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gewinkeld
jij/je hebt gewinkeld
hij/zij/het/u heeft gewinkeld
wij/we hebben gewinkeld
jullie hebben gewinkeld
zij/ze hebben gewinkeld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gewinkeld
jij/je had gewinkeld
hij/zij/het/u had gewinkeld
wij/we hadden gewinkeld
jullie hadden gewinkeld
zij/ze hadden gewinkeld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal winkelen
jij/je zult winkelen
hij/zij/het/u zal winkelen
wij/we zullen winkelen
jullie zullen winkelen
zij/ze zullen winkelen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gewinkeld
jij/je zult hebben gewinkeld
hij/zij/het/u zal hebben gewinkeld
wij/we zullen hebben gewinkeld
jullie zullen hebben gewinkeld
zij/ze zullen hebben gewinkeld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou winkelen
jij/je zou winkelen
hij/zij/het/u zou winkelen
wij/we zouden winkelen
jullie zouden winkelen
zij/ze zouden winkelen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gewinkeld
jij/je zou hebben gewinkeld
hij/zij/het/u zou hebben gewinkeld
wij/we zouden hebben gewinkeld
jullie zouden hebben gewinkeld
zij/ze zouden hebben gewinkeld
gebiedende wijs: winkel
tegenwoordig deelwoord: winkelend
voltooid deelwoord: gewinkeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij winkelen op zaterdag in de stad.
We shop in town on Saturdays.
Onvoltooid verleden tijdPast
Jullie winkelden de hele middag zonder iets te kopen.
You shopped all afternoon without buying anything.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb vandaag lekker gewinkeld met mijn moeder.
I enjoyed shopping with my mother today.