Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik wijs
jij/je wijst
hij/zij/het/u wijst
wij/we wijzen
jullie wijzen
zij/ze wijzen
onvoltooid verleden tijdpast
ik wees
jij/je wees
hij/zij/het/u wees
wij/we wezen
jullie wezen
zij/ze wezen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gewezen
jij/je hebt gewezen
hij/zij/het/u heeft gewezen
wij/we hebben gewezen
jullie hebben gewezen
zij/ze hebben gewezen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gewezen
jij/je had gewezen
hij/zij/het/u had gewezen
wij/we hadden gewezen
jullie hadden gewezen
zij/ze hadden gewezen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal wijzen
jij/je zult wijzen
hij/zij/het/u zal wijzen
wij/we zullen wijzen
jullie zullen wijzen
zij/ze zullen wijzen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gewezen
jij/je zult hebben gewezen
hij/zij/het/u zal hebben gewezen
wij/we zullen hebben gewezen
jullie zullen hebben gewezen
zij/ze zullen hebben gewezen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou wijzen
jij/je zou wijzen
hij/zij/het/u zou wijzen
wij/we zouden wijzen
jullie zouden wijzen
zij/ze zouden wijzen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gewezen
jij/je zou hebben gewezen
hij/zij/het/u zou hebben gewezen
wij/we zouden hebben gewezen
jullie zouden hebben gewezen
zij/ze zouden hebben gewezen
gebiedende wijs: wijs
tegenwoordig deelwoord: wijzend
voltooid deelwoord: gewezen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De leraar wijst naar de kaart van Europa.
The teacher points at the map of Europe.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij wees ons de weg naar het museum.
She showed us the way to the museum.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb hem op de fout gewezen.
I pointed the mistake out to him.