Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik wen
jij/je went
hij/zij/het/u went
wij/we wennen
jullie wennen
zij/ze wennen
onvoltooid verleden tijdpast
ik wende
jij/je wende
hij/zij/het/u wende
wij/we wenden
jullie wenden
zij/ze wenden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben gewend
jij/je bent gewend
hij/zij/het/u is gewend
wij/we zijn gewend
jullie zijn gewend
zij/ze zijn gewend
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was gewend
jij/je was gewend
hij/zij/het/u was gewend
wij/we waren gewend
jullie waren gewend
zij/ze waren gewend
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal wennen
jij/je zult wennen
hij/zij/het/u zal wennen
wij/we zullen wennen
jullie zullen wennen
zij/ze zullen wennen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn gewend
jij/je zult zijn gewend
hij/zij/het/u zal zijn gewend
wij/we zullen zijn gewend
jullie zullen zijn gewend
zij/ze zullen zijn gewend
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou wennen
jij/je zou wennen
hij/zij/het/u zou wennen
wij/we zouden wennen
jullie zouden wennen
zij/ze zouden wennen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn gewend
jij/je zou zijn gewend
hij/zij/het/u zou zijn gewend
wij/we zouden zijn gewend
jullie zouden zijn gewend
zij/ze zouden zijn gewend
gebiedende wijs: wen
tegenwoordig deelwoord: wennend
voltooid deelwoord: gewend
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik wen langzaam aan het vroege opstaan.
I am slowly getting used to getting up early.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij wende snel aan zijn nieuwe school.
He quickly got used to his new school.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij zijn al helemaal gewend aan de kou.
We are already completely used to the cold.