Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik wek
jij/je wekt
hij/zij/het/u wekt
wij/we wekken
jullie wekken
zij/ze wekken
onvoltooid verleden tijdpast
ik wekte
jij/je wekte
hij/zij/het/u wekte
wij/we wekten
jullie wekten
zij/ze wekten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gewekt
jij/je hebt gewekt
hij/zij/het/u heeft gewekt
wij/we hebben gewekt
jullie hebben gewekt
zij/ze hebben gewekt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gewekt
jij/je had gewekt
hij/zij/het/u had gewekt
wij/we hadden gewekt
jullie hadden gewekt
zij/ze hadden gewekt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal wekken
jij/je zult wekken
hij/zij/het/u zal wekken
wij/we zullen wekken
jullie zullen wekken
zij/ze zullen wekken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gewekt
jij/je zult hebben gewekt
hij/zij/het/u zal hebben gewekt
wij/we zullen hebben gewekt
jullie zullen hebben gewekt
zij/ze zullen hebben gewekt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou wekken
jij/je zou wekken
hij/zij/het/u zou wekken
wij/we zouden wekken
jullie zouden wekken
zij/ze zouden wekken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gewekt
jij/je zou hebben gewekt
hij/zij/het/u zou hebben gewekt
wij/we zouden hebben gewekt
jullie zouden hebben gewekt
zij/ze zouden hebben gewekt
gebiedende wijs: wek
tegenwoordig deelwoord: wekkend
voltooid deelwoord: gewekt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn moeder wekt me elke dag om zeven uur.
My mother wakes me every day at seven.
Onvoltooid verleden tijdPast
Het lawaai wekte de baby veel te vroeg.
The noise woke the baby much too early.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Jij hebt mij vanmorgen veel te laat gewekt.
You woke me much too late this morning.