Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zet weg
jij/je zet weg
hij/zij/het/u zet weg
wij/we zetten weg
jullie zetten weg
zij/ze zetten weg
onvoltooid verleden tijdpast
ik zette weg
jij/je zette weg
hij/zij/het/u zette weg
wij/we zetten weg
jullie zetten weg
zij/ze zetten weg
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb weggezet
jij/je hebt weggezet
hij/zij/het/u heeft weggezet
wij/we hebben weggezet
jullie hebben weggezet
zij/ze hebben weggezet
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had weggezet
jij/je had weggezet
hij/zij/het/u had weggezet
wij/we hadden weggezet
jullie hadden weggezet
zij/ze hadden weggezet
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal wegzetten
jij/je zult wegzetten
hij/zij/het/u zal wegzetten
wij/we zullen wegzetten
jullie zullen wegzetten
zij/ze zullen wegzetten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben weggezet
jij/je zult hebben weggezet
hij/zij/het/u zal hebben weggezet
wij/we zullen hebben weggezet
jullie zullen hebben weggezet
zij/ze zullen hebben weggezet
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou wegzetten
jij/je zou wegzetten
hij/zij/het/u zou wegzetten
wij/we zouden wegzetten
jullie zouden wegzetten
zij/ze zouden wegzetten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben weggezet
jij/je zou hebben weggezet
hij/zij/het/u zou hebben weggezet
wij/we zouden hebben weggezet
jullie zouden hebben weggezet
zij/ze zouden hebben weggezet
gebiedende wijs: zet weg
tegenwoordig deelwoord: wegzettend
voltooid deelwoord: weggezet
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Jullie zetten de fietsen achter het huis weg.
You put the bikes away behind the house.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zij heeft de boodschappen al weggezet.
She has already put away the groceries.
Gebiedende wijsImperative
Zet je speelgoed even weg, alsjeblieft.
Put your toys away, please.