Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik loop weg
jij/je loopt weg
hij/zij/het/u loopt weg
wij/we lopen weg
jullie lopen weg
zij/ze lopen weg
onvoltooid verleden tijdpast
ik liep weg
jij/je liep weg
hij/zij/het/u liep weg
wij/we liepen weg
jullie liepen weg
zij/ze liepen weg
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben weggelopen
jij/je bent weggelopen
hij/zij/het/u is weggelopen
wij/we zijn weggelopen
jullie zijn weggelopen
zij/ze zijn weggelopen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was weggelopen
jij/je was weggelopen
hij/zij/het/u was weggelopen
wij/we waren weggelopen
jullie waren weggelopen
zij/ze waren weggelopen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal weglopen
jij/je zult weglopen
hij/zij/het/u zal weglopen
wij/we zullen weglopen
jullie zullen weglopen
zij/ze zullen weglopen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn weggelopen
jij/je zult zijn weggelopen
hij/zij/het/u zal zijn weggelopen
wij/we zullen zijn weggelopen
jullie zullen zijn weggelopen
zij/ze zullen zijn weggelopen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou weglopen
jij/je zou weglopen
hij/zij/het/u zou weglopen
wij/we zouden weglopen
jullie zouden weglopen
zij/ze zouden weglopen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn weggelopen
jij/je zou zijn weggelopen
hij/zij/het/u zou zijn weggelopen
wij/we zouden zijn weggelopen
jullie zouden zijn weggelopen
zij/ze zouden zijn weggelopen
gebiedende wijs: loop weg
tegenwoordig deelwoord: weglopend
voltooid deelwoord: weggelopen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De hond loopt steeds weg uit de tuin.
The dog keeps running away from the garden.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij liep boos weg na de vergadering.
She walked away angrily after the meeting.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De kat is vannacht weggelopen.
The cat ran away last night.