Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik haal weg
jij/je haalt weg
hij/zij/het/u haalt weg
wij/we halen weg
jullie halen weg
zij/ze halen weg
onvoltooid verleden tijdpast
ik haalde weg
jij/je haalde weg
hij/zij/het/u haalde weg
wij/we haalden weg
jullie haalden weg
zij/ze haalden weg
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb weggehaald
jij/je hebt weggehaald
hij/zij/het/u heeft weggehaald
wij/we hebben weggehaald
jullie hebben weggehaald
zij/ze hebben weggehaald
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had weggehaald
jij/je had weggehaald
hij/zij/het/u had weggehaald
wij/we hadden weggehaald
jullie hadden weggehaald
zij/ze hadden weggehaald
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal weghalen
jij/je zult weghalen
hij/zij/het/u zal weghalen
wij/we zullen weghalen
jullie zullen weghalen
zij/ze zullen weghalen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben weggehaald
jij/je zult hebben weggehaald
hij/zij/het/u zal hebben weggehaald
wij/we zullen hebben weggehaald
jullie zullen hebben weggehaald
zij/ze zullen hebben weggehaald
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou weghalen
jij/je zou weghalen
hij/zij/het/u zou weghalen
wij/we zouden weghalen
jullie zouden weghalen
zij/ze zouden weghalen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben weggehaald
jij/je zou hebben weggehaald
hij/zij/het/u zou hebben weggehaald
wij/we zouden hebben weggehaald
jullie zouden hebben weggehaald
zij/ze zouden hebben weggehaald
gebiedende wijs: haal weg
tegenwoordig deelwoord: weghalend
voltooid deelwoord: weggehaald
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Jij haalt de vuile borden weg.
You are taking away the dirty plates.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij haalden gisteren de oude kast weg.
We removed the old cupboard yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De gemeente heeft de omgevallen boom weggehaald.
The city has removed the fallen tree.