Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik ga weg
jij/je gaat weg
hij/zij/het/u gaat weg
wij/we gaan weg
jullie gaan weg
zij/ze gaan weg
onvoltooid verleden tijdpast
ik ging weg
jij/je ging weg
hij/zij/het/u ging weg
wij/we gingen weg
jullie gingen weg
zij/ze gingen weg
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben weggegaan
jij/je bent weggegaan
hij/zij/het/u is weggegaan
wij/we zijn weggegaan
jullie zijn weggegaan
zij/ze zijn weggegaan
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was weggegaan
jij/je was weggegaan
hij/zij/het/u was weggegaan
wij/we waren weggegaan
jullie waren weggegaan
zij/ze waren weggegaan
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal weggaan
jij/je zult weggaan
hij/zij/het/u zal weggaan
wij/we zullen weggaan
jullie zullen weggaan
zij/ze zullen weggaan
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn weggegaan
jij/je zult zijn weggegaan
hij/zij/het/u zal zijn weggegaan
wij/we zullen zijn weggegaan
jullie zullen zijn weggegaan
zij/ze zullen zijn weggegaan
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou weggaan
jij/je zou weggaan
hij/zij/het/u zou weggaan
wij/we zouden weggaan
jullie zouden weggaan
zij/ze zouden weggaan
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn weggegaan
jij/je zou zijn weggegaan
hij/zij/het/u zou zijn weggegaan
wij/we zouden zijn weggegaan
jullie zouden zijn weggegaan
zij/ze zouden zijn weggegaan
gebiedende wijs: ga weg
tegenwoordig deelwoord: weggaand
voltooid deelwoord: weggegaan
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij gaan om vijf uur weg.
We are leaving at five o'clock.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij ging gisteren vroeg weg.
He left early yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik ben net van het feest weggegaan.
I just left the party.
Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect
Zonder dat leuke concert zouden wij eerder zijn weggegaan.
Without that great concert, we would have left earlier.