Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik weerhoud
jij/je weerhoudt
hij/zij/het/u weerhoudt
wij/we weerhouden
jullie weerhouden
zij/ze weerhouden
onvoltooid verleden tijdpast
ik weerhield
jij/je weerhield
hij/zij/het/u weerhield
wij/we weerhielden
jullie weerhielden
zij/ze weerhielden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb weerhouden
jij/je hebt weerhouden
hij/zij/het/u heeft weerhouden
wij/we hebben weerhouden
jullie hebben weerhouden
zij/ze hebben weerhouden
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had weerhouden
jij/je had weerhouden
hij/zij/het/u had weerhouden
wij/we hadden weerhouden
jullie hadden weerhouden
zij/ze hadden weerhouden
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal weerhouden
jij/je zult weerhouden
hij/zij/het/u zal weerhouden
wij/we zullen weerhouden
jullie zullen weerhouden
zij/ze zullen weerhouden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben weerhouden
jij/je zult hebben weerhouden
hij/zij/het/u zal hebben weerhouden
wij/we zullen hebben weerhouden
jullie zullen hebben weerhouden
zij/ze zullen hebben weerhouden
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou weerhouden
jij/je zou weerhouden
hij/zij/het/u zou weerhouden
wij/we zouden weerhouden
jullie zouden weerhouden
zij/ze zouden weerhouden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben weerhouden
jij/je zou hebben weerhouden
hij/zij/het/u zou hebben weerhouden
wij/we zouden hebben weerhouden
jullie zouden hebben weerhouden
zij/ze zouden hebben weerhouden
gebiedende wijs: weerhoud
tegenwoordig deelwoord: weerhoudend
voltooid deelwoord: weerhouden
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De regen weerhoudt ons niet van onze wandeling.
The rain does not keep us from our walk.
Onvoltooid verleden tijdPast
De kou weerhield hem niet van zijn ochtendloop.
The cold did not stop him from his morning run.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Niets heeft haar van haar droomreis weerhouden.
Nothing has kept her from her dream trip.