Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik wed
jij/je wedt
hij/zij/het/u wedt
wij/we wedden
jullie wedden
zij/ze wedden
onvoltooid verleden tijdpast
ik wedde
jij/je wedde
hij/zij/het/u wedde
wij/we wedden
jullie wedden
zij/ze wedden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gewed
jij/je hebt gewed
hij/zij/het/u heeft gewed
wij/we hebben gewed
jullie hebben gewed
zij/ze hebben gewed
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gewed
jij/je had gewed
hij/zij/het/u had gewed
wij/we hadden gewed
jullie hadden gewed
zij/ze hadden gewed
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal wedden
jij/je zult wedden
hij/zij/het/u zal wedden
wij/we zullen wedden
jullie zullen wedden
zij/ze zullen wedden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gewed
jij/je zult hebben gewed
hij/zij/het/u zal hebben gewed
wij/we zullen hebben gewed
jullie zullen hebben gewed
zij/ze zullen hebben gewed
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou wedden
jij/je zou wedden
hij/zij/het/u zou wedden
wij/we zouden wedden
jullie zouden wedden
zij/ze zouden wedden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gewed
jij/je zou hebben gewed
hij/zij/het/u zou hebben gewed
wij/we zouden hebben gewed
jullie zouden hebben gewed
zij/ze zouden hebben gewed
gebiedende wijs: wed
tegenwoordig deelwoord: weddend
voltooid deelwoord: gewed
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik wed met mijn broer om vijf euro.
I bet five euros with my brother.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij wedde om een ijsje met zijn zus.
He bet his sister an ice cream.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben nog nooit om geld gewed.
We have never bet for money.