Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik was
jij/je wast
hij/zij/het/u wast
wij/we wassen
jullie wassen
zij/ze wassen
onvoltooid verleden tijdpast
ik waste
jij/je waste
hij/zij/het/u waste
wij/we wasten
jullie wasten
zij/ze wasten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gewassen
jij/je hebt gewassen
hij/zij/het/u heeft gewassen
wij/we hebben gewassen
jullie hebben gewassen
zij/ze hebben gewassen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gewassen
jij/je had gewassen
hij/zij/het/u had gewassen
wij/we hadden gewassen
jullie hadden gewassen
zij/ze hadden gewassen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal wassen
jij/je zult wassen
hij/zij/het/u zal wassen
wij/we zullen wassen
jullie zullen wassen
zij/ze zullen wassen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gewassen
jij/je zult hebben gewassen
hij/zij/het/u zal hebben gewassen
wij/we zullen hebben gewassen
jullie zullen hebben gewassen
zij/ze zullen hebben gewassen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou wassen
jij/je zou wassen
hij/zij/het/u zou wassen
wij/we zouden wassen
jullie zouden wassen
zij/ze zouden wassen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gewassen
jij/je zou hebben gewassen
hij/zij/het/u zou hebben gewassen
wij/we zouden hebben gewassen
jullie zouden hebben gewassen
zij/ze zouden hebben gewassen
gebiedende wijs: was
tegenwoordig deelwoord: wassend
voltooid deelwoord: gewassen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik was elke zaterdag de auto.
I wash the car every Saturday.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij waste zijn handen voor het eten.
He washed his hands before dinner.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zij hebben gisteren de hond gewassen.
They washed the dog yesterday.
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditional
Hij zou zaterdag de auto wassen.
He would wash the car on Saturday.