Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik wantrouw
jij/je wantrouwt
hij/zij/het/u wantrouwt
wij/we wantrouwen
jullie wantrouwen
zij/ze wantrouwen
onvoltooid verleden tijdpast
ik wantrouwde
jij/je wantrouwde
hij/zij/het/u wantrouwde
wij/we wantrouwden
jullie wantrouwden
zij/ze wantrouwden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gewantrouwd
jij/je hebt gewantrouwd
hij/zij/het/u heeft gewantrouwd
wij/we hebben gewantrouwd
jullie hebben gewantrouwd
zij/ze hebben gewantrouwd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gewantrouwd
jij/je had gewantrouwd
hij/zij/het/u had gewantrouwd
wij/we hadden gewantrouwd
jullie hadden gewantrouwd
zij/ze hadden gewantrouwd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal wantrouwen
jij/je zult wantrouwen
hij/zij/het/u zal wantrouwen
wij/we zullen wantrouwen
jullie zullen wantrouwen
zij/ze zullen wantrouwen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gewantrouwd
jij/je zult hebben gewantrouwd
hij/zij/het/u zal hebben gewantrouwd
wij/we zullen hebben gewantrouwd
jullie zullen hebben gewantrouwd
zij/ze zullen hebben gewantrouwd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou wantrouwen
jij/je zou wantrouwen
hij/zij/het/u zou wantrouwen
wij/we zouden wantrouwen
jullie zouden wantrouwen
zij/ze zouden wantrouwen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gewantrouwd
jij/je zou hebben gewantrouwd
hij/zij/het/u zou hebben gewantrouwd
wij/we zouden hebben gewantrouwd
jullie zouden hebben gewantrouwd
zij/ze zouden hebben gewantrouwd
gebiedende wijs: wantrouw
tegenwoordig deelwoord: wantrouwend
voltooid deelwoord: gewantrouwd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Hij wantrouwt goedkope aanbiedingen op internet.
He distrusts cheap offers on the internet.
Onvoltooid verleden tijdPast
De kat wantrouwde de nieuwe hond eerst.
The cat distrusted the new dog at first.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb dat aanbod vanaf het begin gewantrouwd.
I distrusted that offer from the very beginning.