Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik wandel
jij/je wandelt
hij/zij/het/u wandelt
wij/we wandelen
jullie wandelen
zij/ze wandelen
onvoltooid verleden tijdpast
ik wandelde
jij/je wandelde
hij/zij/het/u wandelde
wij/we wandelden
jullie wandelden
zij/ze wandelden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gewandeld
jij/je hebt gewandeld
hij/zij/het/u heeft gewandeld
wij/we hebben gewandeld
jullie hebben gewandeld
zij/ze hebben gewandeld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gewandeld
jij/je had gewandeld
hij/zij/het/u had gewandeld
wij/we hadden gewandeld
jullie hadden gewandeld
zij/ze hadden gewandeld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal wandelen
jij/je zult wandelen
hij/zij/het/u zal wandelen
wij/we zullen wandelen
jullie zullen wandelen
zij/ze zullen wandelen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gewandeld
jij/je zult hebben gewandeld
hij/zij/het/u zal hebben gewandeld
wij/we zullen hebben gewandeld
jullie zullen hebben gewandeld
zij/ze zullen hebben gewandeld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou wandelen
jij/je zou wandelen
hij/zij/het/u zou wandelen
wij/we zouden wandelen
jullie zouden wandelen
zij/ze zouden wandelen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gewandeld
jij/je zou hebben gewandeld
hij/zij/het/u zou hebben gewandeld
wij/we zouden hebben gewandeld
jullie zouden hebben gewandeld
zij/ze zouden hebben gewandeld
gebiedende wijs: wandel
tegenwoordig deelwoord: wandelend
voltooid deelwoord: gewandeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij wandelen elke zondag door het bos.
We walk through the forest every Sunday.
Onvoltooid verleden tijdPast
Jullie wandelden gisteren langs het strand.
You all walked along the beach yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb vanmorgen een uur in het park gewandeld.
I walked in the park for an hour this morning.