Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik walg
jij/je walgt
hij/zij/het/u walgt
wij/we walgen
jullie walgen
zij/ze walgen
onvoltooid verleden tijdpast
ik walgde
jij/je walgde
hij/zij/het/u walgde
wij/we wal gden
jullie wal gden
zij/ze wal gden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gewalgd
jij/je hebt gewalgd
hij/zij/het/u heeft gewalgd
wij/we hebben gewalgd
jullie hebben gewalgd
zij/ze hebben gewalgd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gewalgd
jij/je had gewalgd
hij/zij/het/u had gewalgd
wij/we hadden gewalgd
jullie hadden gewalgd
zij/ze hadden gewalgd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal walgen
jij/je zult walgen
hij/zij/het/u zal walgen
wij/we zullen walgen
jullie zullen walgen
zij/ze zullen walgen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gewalgd
jij/je zult hebben gewalgd
hij/zij/het/u zal hebben gewalgd
wij/we zullen hebben gewalgd
jullie zullen hebben gewalgd
zij/ze zullen hebben gewalgd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou walgen
jij/je zou walgen
hij/zij/het/u zou walgen
wij/we zouden walgen
jullie zouden walgen
zij/ze zouden walgen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gewalgd
jij/je zou hebben gewalgd
hij/zij/het/u zou hebben gewalgd
wij/we zouden hebben gewalgd
jullie zouden hebben gewalgd
zij/ze zouden hebben gewalgd
gebiedende wijs: walg
tegenwoordig deelwoord: walgend
voltooid deelwoord: gewalgd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik walg van de geur van rotte vis.
I am disgusted by the smell of rotten fish.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij walgde van het vieze toilet op de camping.
He was disgusted by the dirty toilet at the campsite.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zij heeft altijd van spruitjes gewalgd.
She has always been disgusted by Brussels sprouts.