Dutch Conjugations - WALGEN Hidden OG Image
  polytripper

  


walgen
   
- to be disgusted

weak (zwak) regular aux: hebben


Display tenses in:

Display tenses in:


onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
onvoltooid verleden tijdpast
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect

ik
walg
walgde
heb gewalgd
jij/je
walgt
walgde
hebt gewalgd
hij/zij/het/u
walgt
walgde
heeft gewalgd
wij/we
walgen
wal gden
hebben gewalgd
jullie
walgen
wal gden
hebben gewalgd
zij/ze
walgen
wal gden
hebben gewalgd

voltooid verleden tijdpast perfect
onvoltooid toekomende tijdfuture
voltooid toekomende tijdfuture perfect

ik
had gewalgd
zal walgen
zal hebben gewalgd
jij/je
had gewalgd
zult walgen
zult hebben gewalgd
hij/zij/het/u
had gewalgd
zal walgen
zal hebben gewalgd
wij/we
hadden gewalgd
zullen walgen
zullen hebben gewalgd
jullie
hadden gewalgd
zullen walgen
zullen hebben gewalgd
zij/ze
hadden gewalgd
zullen walgen
zullen hebben gewalgd

onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect

ik
zou walgen
zou hebben gewalgd
jij/je
zou walgen
zou hebben gewalgd
hij/zij/het/u
zou walgen
zou hebben gewalgd
wij/we
zouden walgen
zouden hebben gewalgd
jullie
zouden walgen
zouden hebben gewalgd
zij/ze
zouden walgen
zouden hebben gewalgd

onvoltooid tegenwoordige tijdpresent

ik walg

jij/je walgt

hij/zij/het/u walgt

wij/we walgen

jullie walgen

zij/ze walgen


onvoltooid verleden tijdpast

ik walgde

jij/je walgde

hij/zij/het/u walgde

wij/we wal gden

jullie wal gden

zij/ze wal gden


voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect

ik heb gewalgd

jij/je hebt gewalgd

hij/zij/het/u heeft gewalgd

wij/we hebben gewalgd

jullie hebben gewalgd

zij/ze hebben gewalgd


voltooid verleden tijdpast perfect

ik had gewalgd

jij/je had gewalgd

hij/zij/het/u had gewalgd

wij/we hadden gewalgd

jullie hadden gewalgd

zij/ze hadden gewalgd


onvoltooid toekomende tijdfuture

ik zal walgen

jij/je zult walgen

hij/zij/het/u zal walgen

wij/we zullen walgen

jullie zullen walgen

zij/ze zullen walgen


voltooid toekomende tijdfuture perfect

ik zal hebben gewalgd

jij/je zult hebben gewalgd

hij/zij/het/u zal hebben gewalgd

wij/we zullen hebben gewalgd

jullie zullen hebben gewalgd

zij/ze zullen hebben gewalgd


onvoltooid verleden toekomende tijdconditional

ik zou walgen

jij/je zou walgen

hij/zij/het/u zou walgen

wij/we zouden walgen

jullie zouden walgen

zij/ze zouden walgen


voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect

ik zou hebben gewalgd

jij/je zou hebben gewalgd

hij/zij/het/u zou hebben gewalgd

wij/we zouden hebben gewalgd

jullie zouden hebben gewalgd

zij/ze zouden hebben gewalgd



gebiedende wijs: walg

tegenwoordig deelwoord: walgend

voltooid deelwoord: gewalgd


Example Sentences


Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent

Ik walg van de geur van rotte vis.

I am disgusted by the smell of rotten fish.


Onvoltooid verleden tijdPast

Hij walgde van het vieze toilet op de camping.

He was disgusted by the dirty toilet at the campsite.


Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect

Zij heeft altijd van spruitjes gewalgd.

She has always been disgusted by Brussels sprouts.