Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik waak
jij/je waakt
hij/zij/het/u waakt
wij/we waken
jullie waken
zij/ze waken
onvoltooid verleden tijdpast
ik waakte
jij/je waakte
hij/zij/het/u waakte
wij/we waakten
jullie waakten
zij/ze waakten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gewaakt
jij/je hebt gewaakt
hij/zij/het/u heeft gewaakt
wij/we hebben gewaakt
jullie hebben gewaakt
zij/ze hebben gewaakt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gewaakt
jij/je had gewaakt
hij/zij/het/u had gewaakt
wij/we hadden gewaakt
jullie hadden gewaakt
zij/ze hadden gewaakt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal waken
jij/je zult waken
hij/zij/het/u zal waken
wij/we zullen waken
jullie zullen waken
zij/ze zullen waken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gewaakt
jij/je zult hebben gewaakt
hij/zij/het/u zal hebben gewaakt
wij/we zullen hebben gewaakt
jullie zullen hebben gewaakt
zij/ze zullen hebben gewaakt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou waken
jij/je zou waken
hij/zij/het/u zou waken
wij/we zouden waken
jullie zouden waken
zij/ze zouden waken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gewaakt
jij/je zou hebben gewaakt
hij/zij/het/u zou hebben gewaakt
wij/we zouden hebben gewaakt
jullie zouden hebben gewaakt
zij/ze zouden hebben gewaakt
gebiedende wijs: waak
tegenwoordig deelwoord: wakend
voltooid deelwoord: gewaakt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De hond waakt 's nachts over het huis.
The dog watches over the house at night.
Onvoltooid verleden tijdPast
De herder waakte de hele nacht over de schapen.
The shepherd kept watch over the sheep all night.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben samen bij het kampvuur gewaakt.
We kept watch together by the campfire.