Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik vries
jij/je vriest
hij/zij/het/u vriest
wij/we vriezen
jullie vriezen
zij/ze vriezen
onvoltooid verleden tijdpast
ik vroor
jij/je vroor
hij/zij/het/u vroor
wij/we vroren
jullie vroren
zij/ze vroren
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gevroren
jij/je hebt gevroren
hij/zij/het/u heeft gevroren
wij/we hebben gevroren
jullie hebben gevroren
zij/ze hebben gevroren
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gevroren
jij/je had gevroren
hij/zij/het/u had gevroren
wij/we hadden gevroren
jullie hadden gevroren
zij/ze hadden gevroren
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal vriezen
jij/je zult vriezen
hij/zij/het/u zal vriezen
wij/we zullen vriezen
jullie zullen vriezen
zij/ze zullen vriezen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gevroren
jij/je zult hebben gevroren
hij/zij/het/u zal hebben gevroren
wij/we zullen hebben gevroren
jullie zullen hebben gevroren
zij/ze zullen hebben gevroren
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou vriezen
jij/je zou vriezen
hij/zij/het/u zou vriezen
wij/we zouden vriezen
jullie zouden vriezen
zij/ze zouden vriezen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gevroren
jij/je zou hebben gevroren
hij/zij/het/u zou hebben gevroren
wij/we zouden hebben gevroren
jullie zouden hebben gevroren
zij/ze zouden hebben gevroren
gebiedende wijs: vries
tegenwoordig deelwoord: vriezend
voltooid deelwoord: gevroren
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Het vriest vannacht vijf graden.
It is freezing five degrees tonight.
Onvoltooid verleden tijdPast
Vorige week vroor het elke nacht.
Last week it froze every night.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Het heeft dit jaar nog niet gevroren.
It has not frozen yet this year.