Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik vorm
jij/je vormt
hij/zij/het/u vormt
wij/we vormen
jullie vormen
zij/ze vormen
onvoltooid verleden tijdpast
ik vormde
jij/je vormde
hij/zij/het/u vormde
wij/we vormden
jullie vormden
zij/ze vormden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gevormd
jij/je hebt gevormd
hij/zij/het/u heeft gevormd
wij/we hebben gevormd
jullie hebben gevormd
zij/ze hebben gevormd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gevormd
jij/je had gevormd
hij/zij/het/u had gevormd
wij/we hadden gevormd
jullie hadden gevormd
zij/ze hadden gevormd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal vormen
jij/je zult vormen
hij/zij/het/u zal vormen
wij/we zullen vormen
jullie zullen vormen
zij/ze zullen vormen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gevormd
jij/je zult hebben gevormd
hij/zij/het/u zal hebben gevormd
wij/we zullen hebben gevormd
jullie zullen hebben gevormd
zij/ze zullen hebben gevormd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou vormen
jij/je zou vormen
hij/zij/het/u zou vormen
wij/we zouden vormen
jullie zouden vormen
zij/ze zouden vormen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gevormd
jij/je zou hebben gevormd
hij/zij/het/u zou hebben gevormd
wij/we zouden hebben gevormd
jullie zouden hebben gevormd
zij/ze zouden hebben gevormd
gebiedende wijs: vorm
tegenwoordig deelwoord: vormend
voltooid deelwoord: gevormd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Deze drie dorpen vormen samen één gemeente.
These three villages together form one municipality.
Onvoltooid verleden tijdPast
De kinderen vormden een kring rond de juf.
The children formed a circle around the teacher.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben met de buren een leesclub gevormd.
We have formed a book club with the neighbours.