Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik stel voor
jij/je stelt voor
hij/zij/het/u stelt voor
wij/we stellen voor
jullie stellen voor
zij/ze stellen voor
onvoltooid verleden tijdpast
ik stelde voor
jij/je stelde voor
hij/zij/het/u stelde voor
wij/we stelden voor
jullie stelden voor
zij/ze stelden voor
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb voorgesteld
jij/je hebt voorgesteld
hij/zij/het/u heeft voorgesteld
wij/we hebben voorgesteld
jullie hebben voorgesteld
zij/ze hebben voorgesteld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had voorgesteld
jij/je had voorgesteld
hij/zij/het/u had voorgesteld
wij/we hadden voorgesteld
jullie hadden voorgesteld
zij/ze hadden voorgesteld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal voorstellen
jij/je zult voorstellen
hij/zij/het/u zal voorstellen
wij/we zullen voorstellen
jullie zullen voorstellen
zij/ze zullen voorstellen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben voorgesteld
jij/je zult hebben voorgesteld
hij/zij/het/u zal hebben voorgesteld
wij/we zullen hebben voorgesteld
jullie zullen hebben voorgesteld
zij/ze zullen hebben voorgesteld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou voorstellen
jij/je zou voorstellen
hij/zij/het/u zou voorstellen
wij/we zouden voorstellen
jullie zouden voorstellen
zij/ze zouden voorstellen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben voorgesteld
jij/je zou hebben voorgesteld
hij/zij/het/u zou hebben voorgesteld
wij/we zouden hebben voorgesteld
jullie zouden hebben voorgesteld
zij/ze zouden hebben voorgesteld
gebiedende wijs: stel voor
tegenwoordig deelwoord: voorstellend
voltooid deelwoord: voorgesteld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik stel een korte pauze voor.
I propose a short break.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij stelde zijn vriendin aan zijn ouders voor.
He introduced his girlfriend to his parents.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Wij zullen morgen een nieuw plan voorstellen.
We will propose a new plan tomorrow.