Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bereid voor
jij/je bereidt voor
hij/zij/het/u bereidt voor
wij/we bereiden voor
jullie bereiden voor
zij/ze bereiden voor
onvoltooid verleden tijdpast
ik bereidde voor
jij/je bereidde voor
hij/zij/het/u bereidde voor
wij/we bereidden voor
jullie bereidden voor
zij/ze bereidden voor
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb voorbereid
jij/je hebt voorbereid
hij/zij/het/u heeft voorbereid
wij/we hebben voorbereid
jullie hebben voorbereid
zij/ze hebben voorbereid
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had voorbereid
jij/je had voorbereid
hij/zij/het/u had voorbereid
wij/we hadden voorbereid
jullie hadden voorbereid
zij/ze hadden voorbereid
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal voorbereiden
jij/je zult voorbereiden
hij/zij/het/u zal voorbereiden
wij/we zullen voorbereiden
jullie zullen voorbereiden
zij/ze zullen voorbereiden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben voorbereid
jij/je zult hebben voorbereid
hij/zij/het/u zal hebben voorbereid
wij/we zullen hebben voorbereid
jullie zullen hebben voorbereid
zij/ze zullen hebben voorbereid
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou voorbereiden
jij/je zou voorbereiden
hij/zij/het/u zou voorbereiden
wij/we zouden voorbereiden
jullie zouden voorbereiden
zij/ze zouden voorbereiden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben voorbereid
jij/je zou hebben voorbereid
hij/zij/het/u zou hebben voorbereid
wij/we zouden hebben voorbereid
jullie zouden hebben voorbereid
zij/ze zouden hebben voorbereid
gebiedende wijs: bereid voor
tegenwoordig deelwoord: voorbereidend
voltooid deelwoord: voorbereid
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik bereid vanavond de vergadering van morgen voor.
Tonight I am preparing tomorrow's meeting.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij bereidde zich goed voor op het examen.
She prepared herself well for the exam.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben het feest samen voorbereid.
We prepared the party together.