Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik voel
jij/je voelt
hij/zij/het/u voelt
wij/we voelen
jullie voelen
zij/ze voelen
onvoltooid verleden tijdpast
ik voelde
jij/je voelde
hij/zij/het/u voelde
wij/we voelden
jullie voelden
zij/ze voelden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gevoeld
jij/je hebt gevoeld
hij/zij/het/u heeft gevoeld
wij/we hebben gevoeld
jullie hebben gevoeld
zij/ze hebben gevoeld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gevoeld
jij/je had gevoeld
hij/zij/het/u had gevoeld
wij/we hadden gevoeld
jullie hadden gevoeld
zij/ze hadden gevoeld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal voelen
jij/je zult voelen
hij/zij/het/u zal voelen
wij/we zullen voelen
jullie zullen voelen
zij/ze zullen voelen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gevoeld
jij/je zult hebben gevoeld
hij/zij/het/u zal hebben gevoeld
wij/we zullen hebben gevoeld
jullie zullen hebben gevoeld
zij/ze zullen hebben gevoeld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou voelen
jij/je zou voelen
hij/zij/het/u zou voelen
wij/we zouden voelen
jullie zouden voelen
zij/ze zouden voelen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gevoeld
jij/je zou hebben gevoeld
hij/zij/het/u zou hebben gevoeld
wij/we zouden hebben gevoeld
jullie zouden hebben gevoeld
zij/ze zouden hebben gevoeld
gebiedende wijs: voel
tegenwoordig deelwoord: voelend
voltooid deelwoord: gevoeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik voel me vandaag een stuk beter.
I feel a lot better today.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij voelde zich thuis bij haar nieuwe collega's.
She felt at home with her new colleagues.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben de eerste zonnestralen al gevoeld.
We have already felt the first rays of sunshine.