Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik vertrek
jij/je vertrekt
hij/zij/het/u vertrekt
wij/we vertrekken
jullie vertrekken
zij/ze vertrekken
onvoltooid verleden tijdpast
ik vertrok
jij/je vertrok
hij/zij/het/u vertrok
wij/we vertrokken
jullie vertrokken
zij/ze vertrokken
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben vertrokken
jij/je bent vertrokken
hij/zij/het/u is vertrokken
wij/we zijn vertrokken
jullie zijn vertrokken
zij/ze zijn vertrokken
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was vertrokken
jij/je was vertrokken
hij/zij/het/u was vertrokken
wij/we waren vertrokken
jullie waren vertrokken
zij/ze waren vertrokken
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal vertrekken
jij/je zult vertrekken
hij/zij/het/u zal vertrekken
wij/we zullen vertrekken
jullie zullen vertrekken
zij/ze zullen vertrekken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn vertrokken
jij/je zult zijn vertrokken
hij/zij/het/u zal zijn vertrokken
wij/we zullen zijn vertrokken
jullie zullen zijn vertrokken
zij/ze zullen zijn vertrokken
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou vertrekken
jij/je zou vertrekken
hij/zij/het/u zou vertrekken
wij/we zouden vertrekken
jullie zouden vertrekken
zij/ze zouden vertrekken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn vertrokken
jij/je zou zijn vertrokken
hij/zij/het/u zou zijn vertrokken
wij/we zouden zijn vertrokken
jullie zouden zijn vertrokken
zij/ze zouden zijn vertrokken
gebiedende wijs: vertrek
tegenwoordig deelwoord: vertrekkend
voltooid deelwoord: vertrokken
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De bus vertrekt over tien minuten.
The bus leaves in ten minutes.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij vertrokken vroeg in de ochtend naar het strand.
We left for the beach early in the morning.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Morgen zal ik rond zeven uur vertrekken.
Tomorrow I will leave around seven o'clock.