Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik vertel
jij/je vertelt
hij/zij/het/u vertelt
wij/we vertellen
jullie vertellen
zij/ze vertellen
onvoltooid verleden tijdpast
ik vertelde
jij/je vertelde
hij/zij/het/u vertelde
wij/we vertelden
jullie vertelden
zij/ze vertelden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb verteld
jij/je hebt verteld
hij/zij/het/u heeft verteld
wij/we hebben verteld
jullie hebben verteld
zij/ze hebben verteld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had verteld
jij/je had verteld
hij/zij/het/u had verteld
wij/we hadden verteld
jullie hadden verteld
zij/ze hadden verteld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal vertellen
jij/je zult vertellen
hij/zij/het/u zal vertellen
wij/we zullen vertellen
jullie zullen vertellen
zij/ze zullen vertellen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben verteld
jij/je zult hebben verteld
hij/zij/het/u zal hebben verteld
wij/we zullen hebben verteld
jullie zullen hebben verteld
zij/ze zullen hebben verteld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou vertellen
jij/je zou vertellen
hij/zij/het/u zou vertellen
wij/we zouden vertellen
jullie zouden vertellen
zij/ze zouden vertellen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben verteld
jij/je zou hebben verteld
hij/zij/het/u zou hebben verteld
wij/we zouden hebben verteld
jullie zouden hebben verteld
zij/ze zouden hebben verteld
gebiedende wijs: vertel
tegenwoordig deelwoord: vertellend
voltooid deelwoord: verteld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Opa vertelt de kinderen graag oude verhalen.
Grandpa loves telling the children old stories.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij vertelde ons alles over haar reis.
She told us everything about her trip.
Gebiedende wijsImperative
Vertel me eens over je nieuwe baan.
Tell me about your new job.