Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik verstuur
jij/je verstuurt
hij/zij/het/u verstuurt
wij/we versturen
jullie versturen
zij/ze versturen
onvoltooid verleden tijdpast
ik verstuurde
jij/je verstuurde
hij/zij/het/u verstuurde
wij/we verstuurden
jullie verstuurden
zij/ze verstuurden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb verstuurd
jij/je hebt verstuurd
hij/zij/het/u heeft verstuurd
wij/we hebben verstuurd
jullie hebben verstuurd
zij/ze hebben verstuurd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had verstuurd
jij/je had verstuurd
hij/zij/het/u had verstuurd
wij/we hadden verstuurd
jullie hadden verstuurd
zij/ze hadden verstuurd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal versturen
jij/je zult versturen
hij/zij/het/u zal versturen
wij/we zullen versturen
jullie zullen versturen
zij/ze zullen versturen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben verstuurd
jij/je zult hebben verstuurd
hij/zij/het/u zal hebben verstuurd
wij/we zullen hebben verstuurd
jullie zullen hebben verstuurd
zij/ze zullen hebben verstuurd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou versturen
jij/je zou versturen
hij/zij/het/u zou versturen
wij/we zouden versturen
jullie zouden versturen
zij/ze zouden versturen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben verstuurd
jij/je zou hebben verstuurd
hij/zij/het/u zou hebben verstuurd
wij/we zouden hebben verstuurd
jullie zouden hebben verstuurd
zij/ze zouden hebben verstuurd
gebiedende wijs: verstuur
tegenwoordig deelwoord: versturend
voltooid deelwoord: verstuurd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik verstuur elke week een kaartje naar oma.
I send a card to grandma every week.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij heeft het pakket gisteren verstuurd.
He sent the package yesterday.
Gebiedende wijsImperative
Verstuur de uitnodigingen voor het weekend.
Send the invitations before the weekend.
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditional
Ik zou de pakjes morgen versturen.
I would send the packages tomorrow.