Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik versta
jij/je verstaat
hij/zij/het/u verstaat
wij/we verstaan
jullie verstaan
zij/ze verstaan
onvoltooid verleden tijdpast
ik verstond
jij/je verstond
hij/zij/het/u verstond
wij/we verstonden
jullie verstonden
zij/ze verstonden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb verstaan
jij/je hebt verstaan
hij/zij/het/u heeft verstaan
wij/we hebben verstaan
jullie hebben verstaan
zij/ze hebben verstaan
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had verstaan
jij/je had verstaan
hij/zij/het/u had verstaan
wij/we hadden verstaan
jullie hadden verstaan
zij/ze hadden verstaan
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal verstaan
jij/je zult verstaan
hij/zij/het/u zal verstaan
wij/we zullen verstaan
jullie zullen verstaan
zij/ze zullen verstaan
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben verstaan
jij/je zult hebben verstaan
hij/zij/het/u zal hebben verstaan
wij/we zullen hebben verstaan
jullie zullen hebben verstaan
zij/ze zullen hebben verstaan
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou verstaan
jij/je zou verstaan
hij/zij/het/u zou verstaan
wij/we zouden verstaan
jullie zouden verstaan
zij/ze zouden verstaan
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben verstaan
jij/je zou hebben verstaan
hij/zij/het/u zou hebben verstaan
wij/we zouden hebben verstaan
jullie zouden hebben verstaan
zij/ze zouden hebben verstaan
gebiedende wijs: versta
tegenwoordig deelwoord: verstaand
voltooid deelwoord: verstaan
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik versta je slecht door de harde muziek.
I can barely hear you over the loud music.
Onvoltooid verleden tijdPast
Oma verstond de dokter niet goed.
Grandma didn't understand the doctor well.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Achter in de zaal zullen wij de spreker slecht verstaan.
At the back of the hall we will hardly understand the speaker.