Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik verspreek
jij/je verspreekt
hij/zij/het/u verspreekt
wij/we verspreken
jullie verspreken
zij/ze verspreken
onvoltooid verleden tijdpast
ik versprak
jij/je versprak
hij/zij/het/u versprak
wij/we verspraken
jullie verspraken
zij/ze verspraken
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb versproken
jij/je hebt versproken
hij/zij/het/u heeft versproken
wij/we hebben versproken
jullie hebben versproken
zij/ze hebben versproken
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had versproken
jij/je had versproken
hij/zij/het/u had versproken
wij/we hadden versproken
jullie hadden versproken
zij/ze hadden versproken
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal verspreken
jij/je zult verspreken
hij/zij/het/u zal verspreken
wij/we zullen verspreken
jullie zullen verspreken
zij/ze zullen verspreken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben versproken
jij/je zult hebben versproken
hij/zij/het/u zal hebben versproken
wij/we zullen hebben versproken
jullie zullen hebben versproken
zij/ze zullen hebben versproken
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou verspreken
jij/je zou verspreken
hij/zij/het/u zou verspreken
wij/we zouden verspreken
jullie zouden verspreken
zij/ze zouden verspreken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben versproken
jij/je zou hebben versproken
hij/zij/het/u zou hebben versproken
wij/we zouden hebben versproken
jullie zouden hebben versproken
zij/ze zouden hebben versproken
gebiedende wijs: verspreek
tegenwoordig deelwoord: versprekend
voltooid deelwoord: versproken
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik verspreek me altijd bij moeilijke namen.
I always misspeak with difficult names.
Onvoltooid verleden tijdPast
De minister versprak zich tijdens het interview.
The minister misspoke during the interview.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Jij hebt je tijdens de presentatie versproken.
You misspoke during the presentation.