Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik verslaap
jij/je verslaapt
hij/zij/het/u verslaapt
wij/we verslapen
jullie verslapen
zij/ze verslapen
onvoltooid verleden tijdpast
ik versliep
jij/je versliep
hij/zij/het/u versliep
wij/we versliepen
jullie versliepen
zij/ze versliepen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb verslapen
jij/je hebt verslapen
hij/zij/het/u heeft verslapen
wij/we hebben verslapen
jullie hebben verslapen
zij/ze hebben verslapen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had verslapen
jij/je had verslapen
hij/zij/het/u had verslapen
wij/we hadden verslapen
jullie hadden verslapen
zij/ze hadden verslapen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal verslapen
jij/je zult verslapen
hij/zij/het/u zal verslapen
wij/we zullen verslapen
jullie zullen verslapen
zij/ze zullen verslapen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben verslapen
jij/je zult hebben verslapen
hij/zij/het/u zal hebben verslapen
wij/we zullen hebben verslapen
jullie zullen hebben verslapen
zij/ze zullen hebben verslapen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou verslapen
jij/je zou verslapen
hij/zij/het/u zou verslapen
wij/we zouden verslapen
jullie zouden verslapen
zij/ze zouden verslapen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben verslapen
jij/je zou hebben verslapen
hij/zij/het/u zou hebben verslapen
wij/we zouden hebben verslapen
jullie zouden hebben verslapen
zij/ze zouden hebben verslapen
gebiedende wijs: verslaap
tegenwoordig deelwoord: verslapend
voltooid deelwoord: verslapen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik verslaap me bijna elke maandag.
I oversleep almost every Monday.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij versliep zich op de dag van het examen.
He overslept on the day of the exam.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben ons vandaag allebei verslapen.
We both overslept today.