Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik verkoop
jij/je verkoopt
hij/zij/het/u verkoopt
wij/we verkopen
jullie verkopen
zij/ze verkopen
onvoltooid verleden tijdpast
ik verkocht
jij/je verkocht
hij/zij/het/u verkocht
wij/we verkochten
jullie verkochten
zij/ze verkochten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb verkocht
jij/je hebt verkocht
hij/zij/het/u heeft verkocht
wij/we hebben verkocht
jullie hebben verkocht
zij/ze hebben verkocht
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had verkocht
jij/je had verkocht
hij/zij/het/u had verkocht
wij/we hadden verkocht
jullie hadden verkocht
zij/ze hadden verkocht
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal verkopen
jij/je zult verkopen
hij/zij/het/u zal verkopen
wij/we zullen verkopen
jullie zullen verkopen
zij/ze zullen verkopen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben verkocht
jij/je zult hebben verkocht
hij/zij/het/u zal hebben verkocht
wij/we zullen hebben verkocht
jullie zullen hebben verkocht
zij/ze zullen hebben verkocht
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou verkopen
jij/je zou verkopen
hij/zij/het/u zou verkopen
wij/we zouden verkopen
jullie zouden verkopen
zij/ze zouden verkopen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben verkocht
jij/je zou hebben verkocht
hij/zij/het/u zou hebben verkocht
wij/we zouden hebben verkocht
jullie zouden hebben verkocht
zij/ze zouden hebben verkocht
gebiedende wijs: verkoop
tegenwoordig deelwoord: verkopend
voltooid deelwoord: verkocht
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De bakker verkoopt vers brood op de markt.
The baker sells fresh bread at the market.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij verkocht zijn oude fiets aan een student.
He sold his old bike to a student.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben ons huis binnen een week verkocht.
We sold our house within a week.
Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect
Voor een goede prijs zouden zij het huis hebben verkocht.
For a good price, they would have sold the house.