Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik verbied
jij/je verbiedt
hij/zij/het/u verbiedt
wij/we verbieden
jullie verbieden
zij/ze verbieden
onvoltooid verleden tijdpast
ik verbood
jij/je verbood
hij/zij/het/u verbood
wij/we verboden
jullie verboden
zij/ze verboden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb verboden
jij/je hebt verboden
hij/zij/het/u heeft verboden
wij/we hebben verboden
jullie hebben verboden
zij/ze hebben verboden
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had verboden
jij/je had verboden
hij/zij/het/u had verboden
wij/we hadden verboden
jullie hadden verboden
zij/ze hadden verboden
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal verbieden
jij/je zult verbieden
hij/zij/het/u zal verbieden
wij/we zullen verbieden
jullie zullen verbieden
zij/ze zullen verbieden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben verboden
jij/je zult hebben verboden
hij/zij/het/u zal hebben verboden
wij/we zullen hebben verboden
jullie zullen hebben verboden
zij/ze zullen hebben verboden
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou verbieden
jij/je zou verbieden
hij/zij/het/u zou verbieden
wij/we zouden verbieden
jullie zouden verbieden
zij/ze zouden verbieden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben verboden
jij/je zou hebben verboden
hij/zij/het/u zou hebben verboden
wij/we zouden hebben verboden
jullie zouden hebben verboden
zij/ze zouden hebben verboden
gebiedende wijs: verbied
tegenwoordig deelwoord: verbiedend
voltooid deelwoord: verboden
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De school verbiedt mobiele telefoons in de les.
The school forbids mobile phones during class.
Onvoltooid verleden tijdPast
Vroeger verbood mijn vader televisie op schooldagen.
In the past my father forbade television on school days.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De gemeente heeft vuurwerk in het centrum verboden.
The city has banned fireworks in the center.