Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik veeg
jij/je veegt
hij/zij/het/u veegt
wij/we vegen
jullie vegen
zij/ze vegen
onvoltooid verleden tijdpast
ik veegde
jij/je veegde
hij/zij/het/u veegde
wij/we veegden
jullie veegden
zij/ze veegden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geveegd
jij/je hebt geveegd
hij/zij/het/u heeft geveegd
wij/we hebben geveegd
jullie hebben geveegd
zij/ze hebben geveegd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geveegd
jij/je had geveegd
hij/zij/het/u had geveegd
wij/we hadden geveegd
jullie hadden geveegd
zij/ze hadden geveegd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal vegen
jij/je zult vegen
hij/zij/het/u zal vegen
wij/we zullen vegen
jullie zullen vegen
zij/ze zullen vegen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geveegd
jij/je zult hebben geveegd
hij/zij/het/u zal hebben geveegd
wij/we zullen hebben geveegd
jullie zullen hebben geveegd
zij/ze zullen hebben geveegd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou vegen
jij/je zou vegen
hij/zij/het/u zou vegen
wij/we zouden vegen
jullie zouden vegen
zij/ze zouden vegen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geveegd
jij/je zou hebben geveegd
hij/zij/het/u zou hebben geveegd
wij/we zouden hebben geveegd
jullie zouden hebben geveegd
zij/ze zouden hebben geveegd
gebiedende wijs: veeg
tegenwoordig deelwoord: vegend
voltooid deelwoord: geveegd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik veeg elke ochtend de keukenvloer.
I sweep the kitchen floor every morning.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij veegde de bladeren van het pad.
He swept the leaves off the path.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben samen het hele terras geveegd.
Together we swept the whole terrace.