Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik vaar
jij/je vaart
hij/zij/het/u vaart
wij/we varen
jullie varen
zij/ze varen
onvoltooid verleden tijdpast
ik voer
jij/je voer
hij/zij/het/u voer
wij/we voeren
jullie voeren
zij/ze voeren
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben/heb gevaren
jij/je bent/hebt gevaren
hij/zij/het/u is/heeft gevaren
wij/we zijn/hebben gevaren
jullie zijn/hebben gevaren
zij/ze zijn/hebben gevaren
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was/had gevaren
jij/je was/had gevaren
hij/zij/het/u was/had gevaren
wij/we waren/hadden gevaren
jullie waren/hadden gevaren
zij/ze waren/hadden gevaren
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal varen
jij/je zult varen
hij/zij/het/u zal varen
wij/we zullen varen
jullie zullen varen
zij/ze zullen varen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn/hebben gevaren
jij/je zult zijn/hebben gevaren
hij/zij/het/u zal zijn/hebben gevaren
wij/we zullen zijn/hebben gevaren
jullie zullen zijn/hebben gevaren
zij/ze zullen zijn/hebben gevaren
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou varen
jij/je zou varen
hij/zij/het/u zou varen
wij/we zouden varen
jullie zouden varen
zij/ze zouden varen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn/hebben gevaren
jij/je zou zijn/hebben gevaren
hij/zij/het/u zou zijn/hebben gevaren
wij/we zouden zijn/hebben gevaren
jullie zouden zijn/hebben gevaren
zij/ze zouden zijn/hebben gevaren
gebiedende wijs: vaar
tegenwoordig deelwoord: varend
voltooid deelwoord: gevaren
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De veerboot vaart elk uur naar het eiland.
The ferry sails to the island every hour.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij voeren vorige zomer langs de kust.
We sailed along the coast last summer.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zij zijn met de boot naar Texel gevaren.
They sailed to Texel by boat.