Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik vang
jij/je vangt
hij/zij/het/u vangt
wij/we vangen
jullie vangen
zij/ze vangen
onvoltooid verleden tijdpast
ik ving
jij/je ving
hij/zij/het/u ving
wij/we vingen
jullie vingen
zij/ze vingen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gevangen
jij/je hebt gevangen
hij/zij/het/u heeft gevangen
wij/we hebben gevangen
jullie hebben gevangen
zij/ze hebben gevangen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gevangen
jij/je had gevangen
hij/zij/het/u had gevangen
wij/we hadden gevangen
jullie hadden gevangen
zij/ze hadden gevangen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal vangen
jij/je zult vangen
hij/zij/het/u zal vangen
wij/we zullen vangen
jullie zullen vangen
zij/ze zullen vangen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gevangen
jij/je zult hebben gevangen
hij/zij/het/u zal hebben gevangen
wij/we zullen hebben gevangen
jullie zullen hebben gevangen
zij/ze zullen hebben gevangen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou vangen
jij/je zou vangen
hij/zij/het/u zou vangen
wij/we zouden vangen
jullie zouden vangen
zij/ze zouden vangen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gevangen
jij/je zou hebben gevangen
hij/zij/het/u zou hebben gevangen
wij/we zouden hebben gevangen
jullie zouden hebben gevangen
zij/ze zouden hebben gevangen
gebiedende wijs: vang
tegenwoordig deelwoord: vangend
voltooid deelwoord: gevangen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De keeper vangt de bal met één hand.
The goalkeeper catches the ball with one hand.
Onvoltooid verleden tijdPast
Opa ving vroeger veel vis in deze rivier.
Grandpa used to catch a lot of fish in this river.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben vandaag drie vissen gevangen.
We caught three fish today.
Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect
Met een groter net zouden wij meer vissen hebben gevangen.
With a bigger net, we would have caught more fish.