Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik val
jij/je valt
hij/zij/het/u valt
wij/we vallen
jullie vallen
zij/ze vallen
onvoltooid verleden tijdpast
ik viel
jij/je viel
hij/zij/het/u viel
wij/we vielen
jullie vielen
zij/ze vielen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben gevallen
jij/je bent gevallen
hij/zij/het/u is gevallen
wij/we zijn gevallen
jullie zijn gevallen
zij/ze zijn gevallen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was gevallen
jij/je was gevallen
hij/zij/het/u was gevallen
wij/we waren gevallen
jullie waren gevallen
zij/ze waren gevallen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal vallen
jij/je zult vallen
hij/zij/het/u zal vallen
wij/we zullen vallen
jullie zullen vallen
zij/ze zullen vallen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn gevallen
jij/je zult zijn gevallen
hij/zij/het/u zal zijn gevallen
wij/we zullen zijn gevallen
jullie zullen zijn gevallen
zij/ze zullen zijn gevallen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou vallen
jij/je zou vallen
hij/zij/het/u zou vallen
wij/we zouden vallen
jullie zouden vallen
zij/ze zouden vallen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn gevallen
jij/je zou zijn gevallen
hij/zij/het/u zou zijn gevallen
wij/we zouden zijn gevallen
jullie zouden zijn gevallen
zij/ze zouden zijn gevallen
gebiedende wijs: val
tegenwoordig deelwoord: vallend
voltooid deelwoord: gevallen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
In de herfst vallen de bladeren van de bomen.
In autumn the leaves fall from the trees.
Onvoltooid verleden tijdPast
Het kind viel van de schommel in het zand.
The child fell off the swing into the sand.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik ben op het gladde ijs gevallen.
I fell on the slippery ice.
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditional
Zonder die leuning zou oma misschien vallen.
Without that railing grandma might fall.