Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik tril
jij/je trilt
hij/zij/het/u trilt
wij/we trillen
jullie trillen
zij/ze trillen
onvoltooid verleden tijdpast
ik trilde
jij/je trilde
hij/zij/het/u trilde
wij/we trilden
jullie trilden
zij/ze trilden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb getrild
jij/je hebt getrild
hij/zij/het/u heeft getrild
wij/we hebben getrild
jullie hebben getrild
zij/ze hebben getrild
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had getrild
jij/je had getrild
hij/zij/het/u had getrild
wij/we hadden getrild
jullie hadden getrild
zij/ze hadden getrild
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal trillen
jij/je zult trillen
hij/zij/het/u zal trillen
wij/we zullen trillen
jullie zullen trillen
zij/ze zullen trillen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben getrild
jij/je zult hebben getrild
hij/zij/het/u zal hebben getrild
wij/we zullen hebben getrild
jullie zullen hebben getrild
zij/ze zullen hebben getrild
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou trillen
jij/je zou trillen
hij/zij/het/u zou trillen
wij/we zouden trillen
jullie zouden trillen
zij/ze zouden trillen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben getrild
jij/je zou hebben getrild
hij/zij/het/u zou hebben getrild
wij/we zouden hebben getrild
jullie zouden hebben getrild
zij/ze zouden hebben getrild
gebiedende wijs: tril
tegenwoordig deelwoord: trillend
voltooid deelwoord: getrild
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn handen trillen van de kou.
My hands are trembling from the cold.
Onvoltooid verleden tijdPast
Het glas trilde door de harde muziek.
The glass trembled because of the loud music.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De ramen hebben de hele nacht getrild door de storm.
The windows shook all night because of the storm.
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditional
Zonder jas zou je trillen van de kou.
Without a coat you would shiver from the cold.