Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik trek
jij/je trekt
hij/zij/het/u trekt
wij/we trekken
jullie trekken
zij/ze trekken
onvoltooid verleden tijdpast
ik trok
jij/je trok
hij/zij/het/u trok
wij/we trokken
jullie trokken
zij/ze trokken
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb getrokken
jij/je hebt getrokken
hij/zij/het/u heeft getrokken
wij/we hebben getrokken
jullie hebben getrokken
zij/ze hebben getrokken
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had getrokken
jij/je had getrokken
hij/zij/het/u had getrokken
wij/we hadden getrokken
jullie hadden getrokken
zij/ze hadden getrokken
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal trekken
jij/je zult trekken
hij/zij/het/u zal trekken
wij/we zullen trekken
jullie zullen trekken
zij/ze zullen trekken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben getrokken
jij/je zult hebben getrokken
hij/zij/het/u zal hebben getrokken
wij/we zullen hebben getrokken
jullie zullen hebben getrokken
zij/ze zullen hebben getrokken
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou trekken
jij/je zou trekken
hij/zij/het/u zou trekken
wij/we zouden trekken
jullie zouden trekken
zij/ze zouden trekken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben getrokken
jij/je zou hebben getrokken
hij/zij/het/u zou hebben getrokken
wij/we zouden hebben getrokken
jullie zouden hebben getrokken
zij/ze zouden hebben getrokken
gebiedende wijs: trek
tegenwoordig deelwoord: trekkend
voltooid deelwoord: getrokken
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Het paard trekt de zware kar.
The horse pulls the heavy cart.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij trok de slee door de sneeuw.
He pulled the sledge through the snow.
Gebiedende wijsImperative
Trek niet zo hard aan de deur!
Don't pull the door so hard!
Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect
Alleen zou hij die zware kar nooit hebben getrokken.
Alone, he would never have pulled that heavy cart.