Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik tref
jij/je treft
hij/zij/het/u treft
wij/we treffen
jullie treffen
zij/ze treffen
onvoltooid verleden tijdpast
ik trof
jij/je trof
hij/zij/het/u trof
wij/we troffen
jullie troffen
zij/ze troffen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb getroffen
jij/je hebt getroffen
hij/zij/het/u heeft getroffen
wij/we hebben getroffen
jullie hebben getroffen
zij/ze hebben getroffen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had getroffen
jij/je had getroffen
hij/zij/het/u had getroffen
wij/we hadden getroffen
jullie hadden getroffen
zij/ze hadden getroffen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal treffen
jij/je zult treffen
hij/zij/het/u zal treffen
wij/we zullen treffen
jullie zullen treffen
zij/ze zullen treffen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben getroffen
jij/je zult hebben getroffen
hij/zij/het/u zal hebben getroffen
wij/we zullen hebben getroffen
jullie zullen hebben getroffen
zij/ze zullen hebben getroffen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou treffen
jij/je zou treffen
hij/zij/het/u zou treffen
wij/we zouden treffen
jullie zouden treffen
zij/ze zouden treffen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben getroffen
jij/je zou hebben getroffen
hij/zij/het/u zou hebben getroffen
wij/we zouden hebben getroffen
jullie zouden hebben getroffen
zij/ze zouden hebben getroffen
gebiedende wijs: tref
tegenwoordig deelwoord: treffend
voltooid deelwoord: getroffen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik tref mijn collega vaak in de trein.
I often run into my colleague on the train.
Onvoltooid verleden tijdPast
De bal trof hem op de schouder.
The ball hit him on the shoulder.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben elkaar in het park getroffen.
We met each other in the park.