Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik trakteer
jij/je trakteert
hij/zij/het/u trakteert
wij/we trakteren
jullie trakteren
zij/ze trakteren
onvoltooid verleden tijdpast
ik trakteerde
jij/je trakteerde
hij/zij/het/u trakteerde
wij/we trakteerden
jullie trakteerden
zij/ze trakteerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb getrakteerd
jij/je hebt getrakteerd
hij/zij/het/u heeft getrakteerd
wij/we hebben getrakteerd
jullie hebben getrakteerd
zij/ze hebben getrakteerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had getrakteerd
jij/je had getrakteerd
hij/zij/het/u had getrakteerd
wij/we hadden getrakteerd
jullie hadden getrakteerd
zij/ze hadden getrakteerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal trakteren
jij/je zult trakteren
hij/zij/het/u zal trakteren
wij/we zullen trakteren
jullie zullen trakteren
zij/ze zullen trakteren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben getrakteerd
jij/je zult hebben getrakteerd
hij/zij/het/u zal hebben getrakteerd
wij/we zullen hebben getrakteerd
jullie zullen hebben getrakteerd
zij/ze zullen hebben getrakteerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou trakteren
jij/je zou trakteren
hij/zij/het/u zou trakteren
wij/we zouden trakteren
jullie zouden trakteren
zij/ze zouden trakteren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben getrakteerd
jij/je zou hebben getrakteerd
hij/zij/het/u zou hebben getrakteerd
wij/we zouden hebben getrakteerd
jullie zouden hebben getrakteerd
zij/ze zouden hebben getrakteerd
gebiedende wijs: trakteer
tegenwoordig deelwoord: trakterend
voltooid deelwoord: getrakteerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik trakteer vandaag op gebak, want ik ben jarig.
I am treating everyone to cake today, because it is my birthday.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij trakteerde de hele klas op koekjes.
She treated the whole class to cookies.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Wij zullen jullie op een ijsje trakteren.
We will treat you all to an ice cream.