Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik train
jij/je traint
hij/zij/het/u traint
wij/we trainen
jullie trainen
zij/ze trainen
onvoltooid verleden tijdpast
ik trainde
jij/je trainde
hij/zij/het/u trainde
wij/we trainden
jullie trainden
zij/ze trainden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb getraind
jij/je hebt getraind
hij/zij/het/u heeft getraind
wij/we hebben getraind
jullie hebben getraind
zij/ze hebben getraind
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had getraind
jij/je had getraind
hij/zij/het/u had getraind
wij/we hadden getraind
jullie hadden getraind
zij/ze hadden getraind
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal trainen
jij/je zult trainen
hij/zij/het/u zal trainen
wij/we zullen trainen
jullie zullen trainen
zij/ze zullen trainen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben getraind
jij/je zult hebben getraind
hij/zij/het/u zal hebben getraind
wij/we zullen hebben getraind
jullie zullen hebben getraind
zij/ze zullen hebben getraind
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou trainen
jij/je zou trainen
hij/zij/het/u zou trainen
wij/we zouden trainen
jullie zouden trainen
zij/ze zouden trainen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben getraind
jij/je zou hebben getraind
hij/zij/het/u zou hebben getraind
wij/we zouden hebben getraind
jullie zouden hebben getraind
zij/ze zouden hebben getraind
gebiedende wijs: train
tegenwoordig deelwoord: trainend
voltooid deelwoord: getraind
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik train drie keer per week in de sportschool.
I train three times a week at the gym.
Onvoltooid verleden tijdPast
Het team trainde gisteren in de regen.
The team trained in the rain yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Jullie hebben hard getraind voor de wedstrijd.
You all trained hard for the match.